|
Ober, ...
Ober, er ligt een worm op mijn bord. - Dat is uw vlees, meneer.
Ober, er drijft een kevertje in mijn soep, haal de kok! - Dat helpt niet, want de
kok is er ook bang voor.
Ober, er loopt een vlieg over mijn boter. - Dat
is niet waar Denkt u dat ik soms lieg? - Nee, maar die boter is anders
toch maar mooi margarine.
Ober, uw stropdas hang in mijn soep. - Geeft
niet, deze stropdas is krimpvrij.
Ober, uw duim zit in mijn soep. -
Geen nood, de soep is niet zo heet.
Ober, hoelang werkt u hier al? -
Al 2 weken, meneer Dan bent u niet de ober aan wie ik mijn bestelling heb
opgegeven!
Ober, die hond rent er vandoor met mijn biefstuk! - tja
meneer, biefstuk is ook erg populair.
Ober, deze koffie smaakt naar
zeep! - Dan heeft u per ongeluk thee gekregen want onze koffie smaakt naar
lijm.
Ober, deze
kreeft heeft maar 1 poot. - Ik denk dat hij gevochten heeft, meneer. Breng
me dan maar de winnaar van het gevecht!
Ober, de rekening graag. - Hoe
vond u het vlees, meneer? Per toeval
Ober, ik lust nog wel een stuk
gebak. - Nog iets erbij, misschien? Als het van hetzelfde gebak is, dan
graag een hamer & beitel.
|